Arnhem en omstreken

'Hoofddoekverbod boa's is stigmatiserend en niet effectief'

Het boa-uniform
Het boa-uniform © Omroep Gelderland
ARNHEM - Het verbod om als boa een hoofddoek of keppeltje te dragen is stigmatiserend en niet effectief, zegt het College voor de Rechten van de Mens (CRM). Daarmee reageert het mensenrechteninstituut op de uitspraken van minister Dilan Yesilgöz van Justitie en Veiligheid. Zij zei eerder dat het uniform overal in het land dezelfde neutraliteit uit moet stralen en vergelijkbaar moet zijn met het politie-uniform.
Het CRM is het daar niet mee eens en vindt dat de neutraliteit en onpartijdigheid van de buitengewoon opsporingsambtenaren beoordeeld moet worden op hun gedrag en handelingen. “In een rechtsstaat is het belangrijk dat ambtenaren neutraal optreden”, aldus het College in een verklaring. “Dat wil zeggen dat zij in hun werk geen ongeoorloofd onderscheid mogen maken op welke grond dan ook. Neutraliteit betekent dat zij hun werk objectief en onpartijdig doen en de Nederlandse wetten en regels op dezelfde manier toepassen bij iedereen.”
Minister Yesilgöz is van mening dat bij een uniform dat neutraliteit uit moet stralen geen plaats is voor religieuze symbolen. Ze wil daarom met de VNG in gesprek over een richtlijn waarin de neutraliteit, herkenbaarheid en landelijke uniformiteit worden geborgd. De uniformen van boa’s kunnen nu van elkaar verschillen omdat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de handhavers, in tegenstelling tot agenten waarbij er wel een landelijke richtlijn is.

Vrouwen en meisjes achtergesteld

Het CRM vindt de keuze om geen hoofddoek toe te staan vooral schadelijk voor vrouwen en meisjes. “Het zal in de praktijk vooral hen treffen, omdat zij het dragen van een hoofddoek als religieuze plicht zien. Een grote groep vrouwen wordt geschaad in hun maatschappelijke participatie en economische zelfstandigheid.” Om de uniformiteit te handhaven stelt het CRM voor een hoofddoek te ontwerpen die bij de dienstkleding past.
Volgens het CRM laat de minister met haar uitspraken blijken dat het dragen van religieuze uitingen de acceptatie van de handhaver kan aantasten. “Het gaat vooral om de vrees voor de manier waarop het publiek zal reageren.” En dat tast volgens het CRM Artikel 1 van de Grondwet aan. “Daar zit namelijk de discriminerende aanname dat als je laat zien religieus te zijn, je niet op een neutrale en onpartijdige manier kunt handelen. Terwijl de kern van het discriminatieverbod juist is dat mensen moeten worden beoordeeld op hun feitelijke handelen en gedrag en niet op veronderstellingen gebaseerd op hun uiterlijke kenmerken.”

Verschillende meningen in land en regio

De landelijke en regionale politiek verschillen van mening over het wel of niet dragen van religieuze symbolen. De discussie laaide zowel lokaal als landelijk op nadat onlangs in Arnhem een motie werd aangenomen waarin de gemeenteraad uitsprak dat een hoofddoek of keppeltje bij het uniform moet kunnen. Eerder werd in Utrecht een vergelijkbare motie aangenomen.
De Tweede Kamer is juist tegen het dragen van religieuze symbolen door handhavers. Zij sprak zich in december 2021, na het aannemen van de motie in Arnhem, uit tegen het dragen van een hoofddoek door boa’s. De minister volgt nu de wens van de Tweede Kamer.

Zie ook